kerkdienst 10:00 **alleen online**

9 mei 2021

  • Voorganger: Ds. G. Bikker uit Harderwijk
  • Organist: Rob van Roon

Deze kerkdienst is alleen online te beluisteren, de kerkzaal zelf is gesloten. Op deze pagina vindt u daar alle informatie over.
Het meeluisteren van de dienst kan via deze pagina of de kerkdienstgemist-app.

 

Orgelspel
Welkom en mededelingen
Muziek: Psalm 33
Groet & Bemoediging
Voorleeslied: Psalm 8
Gebed
Schriftlezing: Jeremia 4: 19-31
Voorleeslied: Lied 177
Preek
Orgelspel
Gebeden
Muziek: Lied 1009
Zegen
Orgelspel

 

Psalm 33
Kom nu met zang en roer de snaren,
gij volk, dat leeft van ‘s Heren recht.
Hijzelf heeft zijn getrouwe scharen
een lofzang in de mond gelegd.
Word’als nooit tevoren
door wie Hem behoren
t feestlied ingezet!
Meld de blijde mare
bij de klank der snaren,
steek de loftrompet.

Zing al wie leeft van Gods genade,
want waarheid is al wat Hij zegt.
Op trouw gegrondvest zijn zijn daden,
op liefde rust zijn heilig recht.
Die zich openbaarde / overal op aarde,
alles spreekt van Hem.
hem͜elen hoog verheven, / vol van blinkend leven,
schiep Hij door zijn stem.

Heil hem, die hoopt in vrees en beven
op Gods genadig aangezicht.
Wie op zijn gunst vertrouwt zal leven,
God houdt het oog op hem gericht.
Ja, Hij kent de zijnen, / Hij laat niet verkwijnen
wie zijn hulp verbeidt.
Koninklijk van gaven / wil de Here laven
wie ontbering lijdt.

Psalm 8
Heer, onze Heer, hoe heerlijk en verheven
hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven-
machtige God, Gij die uw majesteit
ten hemel over ons hebt uitgebreid.

Wel doet de hemel hoog uw glorie blinken,
maar in de mond van kind’ren doet Gij klinken
uw machtig heil, zo maakt G’ uw vijand stil
en doet uw haters buigen voor uw wil.

Aanschouw ik ‘s nachts het kunstwerk van uw handen,
de maan, de duizend sterren die daar branden,
wat is de mens, dat Gij aan hem gedenkt,
het mensenkind, dat Gij hem aandacht schenkt?

Lied 177
Daar komt de man uit Anatot,
hij deelt de woorden uit van God:
hoor het woord des Heren:
wij moeten ons bekeren.
Maar niemand luistert naar zijn stem,
in heel Jeruzalem.

Het volk is doof, het volk is blind,
het slaat de woorden in de wind:
hoor het woord des Heren:
wij moeten ons bekeren.
Voor vreemde goden knielt het neer;
vergeten is de Heer.

Waarom, o volk van Israël,
waarom is God niet meer in tel?
Hoor het woord des Heren:
wij moeten ons bekeren.
Hij die ons riep in de woestijn,
wil onze Vader zijn!

Lied 1009
O lieve Heer, geef vrede
aan allen hier beneden
die uitzien naar uw feest,
opdat de mensen weten:
uw heilige profeten
zijn niet verblind geweest.

Doe onze ogen stralen,
doe ons het hart ophalen
aan blijdschap na verdriet;
o God voor wie verschijnen
Christus en al de zijnen,
versmaad hun smeken niet!

Verlos ons van de boze,
laat niet de goddelozen
op aarde koning zijn!
Laat ons uw land betreden,
dat zal een land van vrede
van melk en honing zijn!

 

Jeremia 4: 19-31
19 O bonzend hart! O razend hart! Ik krimp ineen van pijn! Ik kan niet zwijgen, tot in mijn ziel voel ik het hoorngeschal, hoor ik het krijgsgeschreeuw. 20 Ramp op ramp wordt gemeld, heel het land gaat te gronde. Plotseling zijn mijn tenten vernield, onverwacht mijn tentdoeken gescheurd. 21 Hoe lang nog moet ik de strijdvaan zien, de ramshoorn horen schallen? 22 De HEER zegt: ‘Dwaas is mijn volk, het is met mij niet vertrouwd. Het zijn kinderen zonder verstand, inzicht hebben ze niet. Zij zijn wel wijs, maar in het kwaad; tot het goede zijn ze niet in staat.’ 23 Ik zag de aarde, ze was woest en doods. Ik keek op naar de hemel, er was geen licht. 24 Ik zag de bergen, ze beefden, de heuvels, ze huiverden. 25 Ik keek, er waren geen mensen, alle vogels waren uit de lucht verdwenen. 26 Ik keek, elke boomgaard was een woestijn, alle steden waren verwoest-door toedoen van de HEER, door zijn brandende toorn. 27 Want dit zegt de HEER: ‘Heel het land wordt een woestenij, maar vernietigen zal ik het niet. 28 Hierom zal de aarde rouwen, de hemel boven zal in zwart gedompeld zijn, omdat ik gesproken heb en dit besloten heb. Ik volhard in mijn besluit, ik kom er niet op terug.’ 29 Voor de kreten van schutters en menners slaat heel de stad op de vlucht. Ze rennen de bossen in, beklimmen de rotsen. Heel de stad is verlaten, niemand woont er nog. 30 Jij, Juda, bent tot ondergang gedoemd, wat wil je nu nog doen? Al ga je gekleed in scharlaken, al ben je met goud getooid, al maak je je ogen op, tevergeefs maak je je mooi. Je wordt door je minnaars verworpen, ze staan je naar het leven. 31 Ik hoor een kreet van pijn, als van een vrouw die de eerste keer baart. Vrouwe Sion kreunt, zij heft haar handen ten hemel: ‘Wee mij! Ik bezwijk in handen van moordenaars.’