kerkdienst 10:00 – dienst ook online te volgen

13 juni 2021

  • Voorganger: Ds. M.T. v/d Sijs uit Hilversum
  • Organist: Berend de Wit

Er zijn veel aanpassingen in het gebruik van de kerkzaal, op deze pagina vindt u daar alle informatie over.
Het meeluisteren van de dienst kan via deze pagina of de kerkdienstgemist-app.

 

Orgelspel
Welkom en mededelingen
Stil gebed
Bemoediging en groet
Muziek: Nieuwe Liedboek 91a
Inleiding op schriftlezing
Muziek: Nieuwe Liedboek 177
Gebed
Schriftlezing: Jeremia 38: 1-13
Voorleeslied: Nieuwe Liedboek 831
Preek
Orgelspel
Muziek: Nieuwe Liedboek 1005
Gebeden
Muziek: “Ga maar gerust”
Orgelspel

 

Nieuwe Liedboek 91a
Wie in de schaduw Gods mag wonen
hoeft niet te vrezen voor de dood.
Zoek je bij Hem een onderkomen –
dan wordt zijn vrede jou tot brood.
God legt zijn vleugels van genade
beschermend om je heen als vriend
en Hij bevrijdt je van het kwade,
opdat je eens geluk zult zien.

Engelen zendt Hij alle dagen
om jou tot vaste gids te zijn.
Zij zullen je op handen dragen
door een woestijn van hoop en pijn.
Geen bange nacht zal je doen beven,
geen ziekte waar een mens van breekt.
Lengte van leven zal God geven,
rust aan de oever van een beek.

Geen duister zal je overvallen,
er is een licht dat eeuwig brandt.
Duizenden doden kunnen vallen, –
jij blijft geschreven in Gods hand.
God is een schild voor zijn getrouwen
die leven van geloof alleen.
Hij zal een nieuwe hemel bouwen
van liefde om hun tranen heen.

Nieuwe Liedboek 177
Daar komt de man uit Anatot,
hij deelt de woorden uit van God:
hoor het woord des Heren:
wij moeten ons bekeren.
Maar niemand luistert naar zijn stem,
in heel Jeruzalem.

Het volk is doof, het volk is blind,
het slaat de woorden in de wind:
hoor het woord des Heren:
wij moeten ons bekeren.
Voor vreemde goden knielt het neer;
vergeten is de Heer.

Waarom, o volk van Israël,
waarom is God niet meer in tel?
Hoor het woord des Heren:
wij moeten ons bekeren.
Hij die ons riep in de woestijn,
wil onze Vader zijn!

De kruik breekt stuk,
de kruik breekt stuk,
de scherven brengen geen geluk:
hoor het woord des Heren:
wij moeten ons bekeren.
Jeruzalem zal ondergaan.
Er is geen redden aan.

Daar komt de man uit Anatot,
hij deelt de woorden uit van God:
hoor het woord des Heren:
wij moeten ons bekeren.
Maar niemand luistert naar zijn stem,
in heel Jeruzalem.

Nieuwe Liedboek 831
Gestuurd op wegen ongedacht,
als eenzaam vechter in de nacht
draag ik de mantel van profeet.
Met Gods verdriet ben ik bekleed.
Stem, die ons uitdaagt, vind bij ons gehoor!
Woord als daglicht, altijd laaiend vuur,
woon op onze lippen, adem in ons oor!

Ik riep: Gij vraagt te veel van mij.
Gij zijt te groot, ga mij voorbij!
Maar spreken moest ik, aangeraakt
ben ik nu tot zijn stem gemaakt.

Zijn woorden ploegen door mijn grond.
Zij leggen bloot, ze slaan een wond.
Hij roept om ons én klaagt ons aan.
Kan Hij niet zonder ons bestaan?
Stem, die ons uitdaagt, vind bij ons gehoor!
Woord als daglicht, altijd laaiend vuur,
woon op onze lippen, adem in ons oor!

Zo ongelegen komt zijn woord,
een fluistering die ongehoord
zich in mijn bloed gedrongen heeft,
als liefde waar ik mij aan geef.

Hij is een woord dat niet verwaait,
een vuur waarin de liefde laait,
een hamer die de rotsen splijt,
een God die aan ons mensen lijdt.

Nieuwe Liedboek 1005
Zoekend naar licht hier in het duister, zoeken wij U, waarheid en kracht.
Maak ons uw volk, heilig, vol luister, schijn in de donkere nacht.
Christus, ons licht, schijn door ons heen, schijn door het duister.
Christus, ons licht, schijn ook vandaag, hier in ons huis.

Zoekend naar rust zijn wij vol zorgen zoekend naar hoop, troost in uw woord.
Spreek door ons heen tot de verdrukten, zo wordt uw stem gehoord.
Christus, ons licht, schijn door ons heen, schijn door het duister.
Christus, ons licht, schijn ook vandaag, hier in ons huis.

Zoekend naar brood lijden zij honger, zoekend naar water lijden zij dorst.
Maak ons uw brood, breek ons voor allen, U bent de vredevorst.
Christus, ons licht, schijn door ons heen, schijn door het duister.
Christus, ons licht, schijn ook vandaag, hier in ons huis.

Zoekend naar troost zijn velen dakloos, zoekend naar warmte zijn velen koud.
Maak ons een huis van levende stenen, schuilplaats door U gebouwd.
Christus, ons licht, schijn door ons heen, schijn door het duister.
Christus, ons licht, schijn ook vandaag, hier in ons huis.

Met zoveel gaven aan ons gegeven, voor zoveel leed, zoveel gemis.
Maak ons uw dienaars, leer ons te delen, totdat uw rijk hier is.
Christus, ons licht, schijn door ons heen, schijn door het duister.
Christus, ons licht, schijn ook vandaag, hier in ons huis.

Ga maar gerust
Ga maar gerust, want Ik zal met je mee gaan
Ik ben je baken, ook in de diepe nacht
Ik ben de stem, die steeds in jou zal opstaan
Ik ben de hand, die op je vriendschap wacht
Ik ben het licht dat voor je voeten uitgaat
Ik ben de wind waardoor je adem haalt

Ga maar gerust, want Ik zal met je mee gaan
Ik ben de zon, waardoor het donker knielt
Ik ben de groet, waarmee ook jij kunt opstaan
Ik ben de hoop, dat zaad diep in je ziel
Ik ben het lied, dat fluistert in de bomen
Ik ben de dag, die schemert in je droom

Ga maar gerust, want Ik zal met je mee gaan
Ik ben de liefde, die een mens je schenkt
Ik ben de hoogste toon, die je kunt aanslaan
Ik ben de verte, die verlangend wenkt
En, kom je thuis, de laatste mist verdwenen
ben Ik de hand, die al je tranen wist.

 

Jeremia 38: 1-13
1 Sefatja, de zoon van Mattan, Gedalja, de zoon van Paschur, Juchal, de zoon van Selemja, en Paschur, de zoon van Malkia, hoorden dat Jeremia de mensen bleef toespreken: 2 ‘Dit zegt de HEER: Wie in deze stad blijven, zullen sterven door het zwaard, de honger en de pest, maar wie zich overgeven aan de Chaldeeën zullen het er levend afbrengen. 3 Dit zegt de HEER: Deze stad wordt in handen gegeven van de koning van Babylonië en zijn leger; hij zal haar innemen.’ 4 De raadsheren zeiden tegen de koning: ‘Die man moet ter dood gebracht worden. Door zulke dingen te zeggen ondermijnt hij immers het moreel van de inwoners en van de soldaten die hier nog overgebleven zijn. Hij heeft niet hun behoud voor ogen, maar hun ondergang.’ 5 Koning Sedekia antwoordde: ‘Doe met hem wat je wilt; ik kan jullie niet tegenhouden.’ 6 Ze brachten Jeremia naar de waterkelder van prins Malkia, in het kwartier van de paleiswacht, en lieten hem aan touwen zakken. In de put stond geen water meer; er was alleen modder, waarin Jeremia wegzakte. 7 Ebed-Melech, een hoveling afkomstig uit Nubië, hoorde daarvan. Hij bevond zich in het koninklijk paleis, terwijl de koning zitting hield in de Benjaminpoort. 8 Ebed-Melech verliet het paleis, ging naar hem toe en zei: 9 ‘Mijn heer en koning, het is misdadig dat deze mannen Jeremia in een waterkelder hebben gegooid. Waarom moet hij juist daar van honger omkomen? Elders in de stad is ook geen brood meer.’ 10 De koning beval Ebed-Melech: ‘Ga met dertig man naar die waterkelder en haal Jeremia naar boven, voordat hij sterft.’ 11 Ebed-Melech riep toen dertig man bij elkaar en ging naar de kelder van het magazijn van het koninklijk paleis, waar hij wat versleten kleren en oude lappen haalde. Hij liet deze aan touwen naar Jeremia in de put zakken 12 en zei tegen hem: ‘Stop die kleren en lappen onder uw oksels en haal de touwen eronderdoor.’ Jeremia deed wat hij zei, 13 en zo trokken ze hem uit de put omhoog. Vanaf dat moment verbleef hij weer in het kwartier van de paleiswacht.