kerkdienst 10:00 – dienst ook online te volgen

25 juli 2021

  • Voorganger: Ds. Heleen Weimar
  • Organist: Berend de Wit
  • Bijzonder: Zomerdienst samen met de Bethlehemkerk
  • Locatie: Diependaalsekerk

Om deze dienst vanuit de kerkzaal mee te maken is het nodig om u aan te melden. Dat kan via deze link.

Er zijn veel aanpassingen in het gebruik van de kerkzaal, op deze pagina vindt u daar alle informatie over.
Het meeluisteren van de dienst kan via deze pagina of de kerkdienstgemist-app.

Orgelspel
Welkom en mededelingen
Muziek (Psalm 23C)
Stil gebed
Bemoediging en Groet
Muziek (Nieuwe Liedboek 12)
Gebed om ontferming
Muziek (Psalm 117 D)
Gebed
Muziek (Nieuwe Liedboek 925)
Schriftlezing (Jozua 3, 14-17  Jozua 4, 15-24)
Orgelspel
Schriftlezing (Johannes 6, 1-15)
Muziek  (Nieuwe Liedboek 836)
Verkondiging
Muzikaal intermezzo
Zingen (Nieuwe Liedboek 653)
Dankgebed en Onze Vader
Zingen (Nieuwe Liedboek 416)
Zegen
Zingen (Nieuwe Liedboek 415)
Collect bij uitgang

Nieuwe Liedboek 12

God, o god
som gaan we kopje-onder
in het water van de eindeloze zee.
Golven komen af en aan
De kracht ontbreekt om weg te gaan.
Ze trekken aan ons leven,
ze sleuren ons mee
in een tollende Draaikolk
Naar de bodem van de zee.

God, bent U er dan?
Reikt U ons de hand?
Zet U ons op het droge
aan een nieuwe Overkant

Psalm 117

Laudate omnes gentes,
laudate Dominum.
Laudate omnes gentes,
laudate Dominum.


Psalm 23C

Mijn God, mijn herder, zorgt voor mij,
wijst mij een groene streek;
daar rust ik aan een stille stroom -
en niets dat mij ontbreekt.


Psalm 23 C

Hij geeft mijn ziel weer nieuwe kracht,
doet mij zijn wegen gaan,
de paden van gerechtigheid,
ter ere van zijn naam.


415

Amen, amen, amen!
Dat wij niet beschamen
Jezus Christus onze Heer,
amen, God, uw naam ter eer!


416

Ga met God en Hij zal met je zijn,
jou nabij op al je wegen
met zijn raad en troost en zegen.
Ga met God en Hij zal met je zijn.


416

Ga met God en Hij zal met je zijn:
bij gevaar, in bange tijden,
over jou zijn vleugels spreiden.
Ga met God en Hij zal met je zijn.


416

Ga met God en Hij zal met je zijn:
in zijn liefde je bewaren,
in de dood je leven sparen.
Ga met God en Hij zal met je zijn.


416

Ga met God en Hij zal met je zijn
tot wij weer elkaar ontmoeten,
in zijn naam elkaar begroeten.
Ga met God en Hij zal met je zijn.


542

God roept de mens op weg te gaan,
zijn leven is een reis:
‘Verlaat wat gij bezit en ga
naar ’t land dat Ik u wijs.’


542

Het volk van God was veertig jaar
– een mensenleven lang –
op weg naar het beloofde land,
het land van Kanaän.


542

Heer, geef ons moed en doe ons gaan
uw weg door de woestijn
en laat uw Zoon een laaiend vuur,
een nieuwe Mozes zijn.


542

Eer aan de Vader en de Zoon
en aan de heilige Geest,
God, die al voor de eerste mens
belofte zijt geweest.


653

U kennen, uit en tot U leven,
Verborgene die bij ons zijt,
zolang ons ’t aanzijn is gegeven,
de aarde en de aardse tijd, –
o Christus, die voor ons begin
en einde zijt, der wereld zin!


653

Gij zijt het brood van God gegeven,
de spijze van de eeuwigheid;
Gij zijt genoeg om van te leven
voor iedereen en voor altijd.
Gij voedt ons nog, o hemels brood,
met leven midden in de dood.


653

O Christus, ons van God gegeven,
Gij tot in alle eeuwigheid
de weg, de waarheid en het leven,
Gij zijt de zin van alle tijd.
Vervul van dit geheimenis
uw kerk die in de wereld is.


836

Geef dat uw roepstem wordt gehoord,
als eenmaal bij de zee.
Geef dat ook wij uw nodend woord
vertrouwen, volgen ongestoord,
op weg gaan met U mee,
op weg gaan met U mee.


836

Dat ons geen drift en pijn verblindt,
geen hartstocht ons verwart.
Maak Gij ons rein en welgezind,
en spreek tot ons in vuur en wind,
o stille stem in ’t hart,
o stille stem in ’t hart.

14 Toen het volk het kamp had opgebroken om de Jordaan over te trekken, gingen de priesters die de ark van het verbond droegen voor het volk uit. 15 Zodra de priesters bij de Jordaan waren gekomen en hun voeten door het water werden omspoeld-de Jordaan stond de hele oogsttijd buiten zijn oevers-, — 16 kwam het water tot stilstand en vormde het een dam, heel in de verte bij de stad Adam, die vlak bij Saretan ligt. Het water dat naar de Zoutzee ging, ofwel de Dode Zee, stroomde helemaal weg. Het volk trok over ter hoogte van Jericho. 17 De priesters die de ark van het verbond met de HEER droegen, bleven precies in het midden van de bedding van de Jordaan staan, terwijl heel Israël overtrok, tot de laatste man.

15 De HEER zei tegen Jozua: 16 ‘Zeg tegen de priesters die de ark met de tekst van het verbond dragen dat ze uit de Jordaan komen.’ — 17 Jozua gaf hun die opdracht, 18 en toen de priesters die de ark van het verbond met de HEER droegen uit de Jordaan kwamen en de oever betraden, hernam het water zijn loop en trad het weer buiten zijn oevers, zoals het eerder had gedaan. — 19 Het volk bereikte de overkant van de Jordaan op de tiende dag van de eerste maand, en het sloeg zijn kamp op bij Gilgal, dat oostelijk van Jericho ligt. 20 Jozua richtte daar de twaalf stenen op die ze uit de Jordaan hadden meegenomen. — 21 Hij zei tegen de Israëlieten: ‘Wanneer uw kinderen later vragen wat deze stenen betekenen, 22 dan moet u hun het volgende vertellen: “Israël is de Jordaan overgetrokken, en wel over de droge bedding. — 23 Want de HEER, jullie God, heeft de Jordaan voor jullie drooggelegd totdat jullie waren overgetrokken, zoals hij ook de Rietzee voor ons heeft drooggelegd totdat we die waren overgetrokken. 24 Want alle volken op aarde moeten weten hoe machtig de HEER, jullie God, is, en jullie moeten altijd vol ontzag voor hem zijn.”‘

1 Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea (ook wel het Meer van Tiberias genoemd). 2 Een grote menigte mensen volgde hem, omdat ze gezien hadden welke wondertekenen hij bij zieken deed. — 3 Jezus ging de berg op, en ging daar met zijn leerlingen zitten. 4 Het was kort voor het Joodse pesachfeest. — 5 Toen Jezus om zich heen keek en zag dat die menigte naar hem toe kwam, vroeg hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’ 6 Hij vroeg dat om Filippus op de proef te stellen, want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen. — 7 Filippus antwoordde: ‘Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn om iedereen een klein stukje brood te geven.’ 8 Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei: — 9 ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen-maar wat hebben we daaraan voor zoveel mensen?’ 10 Jezus zei: ‘Laat iedereen gaan zitten.’ Er was daar veel gras, en ze gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend mannen. — 11 Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood onder de mensen die er zaten. Hij gaf hun ook vis, zoveel als ze wilden. 12 Toen iedereen volop gegeten had zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Verzamel nu de overgebleven stukken brood, zodat er niets verloren gaat.’ — 13 Dat deden ze en ze vulden twaalf manden met wat overgebleven was van de vijf gerstebroden die men had gegeten. 14 Toen de mensen het wonderteken dat hij gedaan had zagen, zeiden ze: ‘Hij moet wel de profeet zijn die in de wereld zou komen.’ — 15 Jezus begreep dat ze hem wilden dwingen om mee te gaan en hem dan tot koning zouden uitroepen. Daarom trok hij zich terug op de berg, alleen.